In ‘De jeugd van tegenwoordig’ exploreren Peter Stabel en Anke De Meyer de ‘Stedelijke jongerencultuur in de laatmiddeleeuwse Lage Landen’. Stabel is mediëvist, gespecialiseerd in de sociale geschiedenis en cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen en gewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen. Anke De Meyer promoveerde op een doctoraal proefschrift over gelaagde sociale identiteiten in Mechelen en Brugge in de 15de en de 16de eeuw, waarvan de onderzoeksresultaten die specifiek jongeren betreffen, in dit boek verwerkt zijn.
In de proloog zetten de auteurs de notie jongerencultuur in historisch perspectief: ze definiëren de jongerencultuur met als belangrijk kenmerk het transitiekarakter ervan, ze situeren de jongerencultuur van de (late) middeleeuwen, stellen de vraag naar de stedelijke dimensie ervan en maken het onderscheid tussen het beeld en het zelfbeeld van jongeren.
Deel 1 onderzoekt het beeld van de jongere in de late middeleeuwen op basis van opiniërende fictie- en non-fictieliteratuur, die in stedelijke milieus werd gecreëerd en geconsumeerd. Een adellijk jongerenmodel gebaseerd op vrijheid, avontuur, zelfstandigheid, geweld en seksualiteit (hoofdstuk 1) kon worden geplaatst tegenover een stedelijk-burgerlijk model met als basisprincipes stabiliteit, zelfcontrole en harmonie, vlijt en terughoudendheid (hoofdstuk 2). Dat resulteerde in spanningen tussen beide modellen, vooral op gebied van de seksuele normen. Vanuit die frictie kon zich een model ontwikkelen met wederzijdse beïnvloeding van beide modellen (hoofdstuk 3). Deel 2 analyseert het zelfbeeld van jongeren, zoals dat uit juridische documenten, de gratiebrieven van de Bourgondische hertogen, (hoofdstuk 4) en uit loterijrijmpjes (hoofdstuk 5) naar voor kwam. Deel 3 beschrijft de uiterlijke kenmerken van de laatmiddeleeuwse cultuur van jongeren: hun aanwezigheid en bewegen in de stedelijke ruimte (hoofdstuk 6), hun kleding, mode en lichaamscultuur (hoofdstuk 7) en hun rituelen en hun carnaval- en charivari-activiteiten (hoofdstuk 8).
De epiloog focust op het einde van de fase van het jong-zijn, veelal bekrachtigd door het stichten van een kerngezin, waarmee de lange transitiefase van de jongere teneinde liep. Het voornaamste besluit is dat als er al sprake was van een aparte jongerencultuur, die verdronk in een zee van burgerlijk conformisme. Door het West-Europese huwelijkspatroon met zijn hoge huwelijksleeftijd werkte de lange vrijgezellentijd uiteindelijk disciplinerend.
Voor hun veelzijdig en kleurrijk profiel van de laatmiddeleeuwse jeugd in de Nederlanden gebruiken Stabel en De Meyer een verscheidenheid aan bronnen: fictieliteratuur, opvoedingsboekjes, gerechtelijke documenten, zoals gratiebrieven, en loterijrijmpjes. Daaraan ontlokken ze door hun originele vraagstelling heel wat historische informatie. De auteurs maken genuanceerde analyses en bouwen regelmatig het nodige voorbehoud in. Ze wijzen ook voortdurend op de problematiek van de representativiteit van het bronnenmateriaal en van hun casussen en corrigeren daarbij ingesleten opvattingen.
Kleurenillustraties in de tekst en achteraan een per hoofdstuk gestructureerd beknopt overzicht van gebruikte bronnen en literatuur en een bibliografie vervolledigen deze beslist vernieuwende monografie, spijts soms een verkeerde verwijzing, een bibliografische vergetelheid of een drukfout.