Leo Vroman, dichter en bioloog, verklaarde ooit: “Het diepste en geheimzinnigste vind ik het gedrag van atomen die verstrengeling vertonen: hoe een deeltje gesplitst kan worden, de ene helft mijlenver verwijderd, en dat toch de twee helften zich blijven gedragen als één geheel. Dat is voor mij de uiteindelijke en totaal geheimzinnige grondstof van alle bestaan.” Plato meende bij monde van Aristophanes dat man en vrouw oorspronkelijk één bolvormig wezen vormden. Later zouden ze met geweld van elkaar gescheiden zijn. Bijgevolg werden ze opgezadeld met een nooit helemaal vervuld verlangen naar elkaar. Virginia Woolf pakte het anders aan. In haar roman ‘Orlando’ verandert een Elizabethaanse edelman van geslacht om als een vrouw de volgende eeuwen op avontuur te gaan, tot in het jaar 1928, meteen de datum waarop deze feministische fantasie werd gepubliceerd. Jacqueline Harpman (1929-2012), een Belgische schrijfster en psychoanalytica, borduurde kritisch en origineel op dit gegeven voort. Het werd de in 1996 gepubliceerde roman ‘Orlanda’, die het jaar daarop met de Prix Médicis werd bekroond. Aline Berger is een Proustkenner en literatuurdocente. In een brasserie bij het Parijse Gare du Nord wacht zij, lezend in Woolfs Orlando, op de trein naar Brussel. Daar ontsnapt, ongewild en ongeweten, haar onderdrukte, twaalfjarige en rebellerende zelf naar het hoofd van de knappe jongeman aan een belendend tafeltje. Aline en Lucien keren naar Brussel terug. Lucien verenigt voortaan een twaalfjarig temperament en het bewustzijn van de vijfendertigjarige Aline met het lichaam van een twintigjarige man. Deze halfvolwassen en seksueel zeer actieve jongeman die zichzelf Orlanda noemt, valt met de geleende voorkeuren van Aline logischerwijze op mannen, liefst wat rijpere mannen die het kind Aline ook al fascineerden. Voortaan wisselen drie stemmen, soms in snel tempo, elkaar af: Aline, Lucien alias Orlanda en de verteller die hen verbeeldt. Aline, in een keurige monogame relatie met Albert, voelt net als Orlanda een gemis. Wat volgt is een gepassioneerde toenadering met hindernissen en een verassend slot. Beiden kunnen niet weerstaan aan het verlangen naar “de volmaakte beurtzang” in elkaars aanwezigheid. Voor de door haar moeder ingeperkte Aline is dit alles een bevrijdend leerproces. Langzaam versoepelt haar angstige en verkrampte gedrag, als in een door de psychoanalyse gestuurde bewustwording. Maar ook andere personages zijn, overigens niet zonder ironie, aan verandering toe. De veertigjarige vrijgezel Paul, die tot dan toe zijn homoseksualiteit heeft onderdrukt, wordt door de “cruisende” Orlanda bevrijd van zijn besluit om “vrij” te blijven, en raakt op hem verliefd. En de lustige Orlanda heeft beslag gelegd op het lichaam van de zelfmoord overwegende Lucien, die net als Aline zich nooit van zijn manipulerende moeder heeft kunnen bevrijden. In een nawoord besluit Gaea Schoeters: “Hoe mooi zou de wereld niet zijn als de verschillen tussen mannen en vrouwen eindelijk grotendeels oplosten en iedereen al zijn kwaliteiten zou kunnen ontplooien. En eindelijk onbeschroomd zou kunnen zeggen: Ik ben ik.” Nu toont dit verhaal dat het “ik” vol remmingen en verraderlijke weerstanden zit, gelaagd en complex is. Dat iedereen zijn kwaliteiten mag ontplooien is een evidentie, maar verschil staat niet in de weg van empathie, nieuwsgierigheid en verlangen. Terugkeren naar Plato’s eenvormige bol lijkt op een verlangen naar de ultieme rust van de dood. En daar is in deze speelse en toch ernstige roman geen sprake van. Leven blijft voor Jacqueline Harpman een spannend en risicovol avontuur.