Een intrigerend portret van Floris van Egmond, geschilderd door Jan Gossaert en bewaard in het Mauritshuis in Den Haag, zette mediëvist Ad van der Zee aan tot het schrijven van ‘Floris van Egmond (1469-1539). Veldheer in dienst van hertog, keizer en landvoogdessen’. Floris, over wie er tot op heden geen biografie was, bleef relatief onbekend bij het grote publiek, anders dan zijn kleinzoon Filips van Montmorency-Horn en zijn achterneef Lamoraal van Egmond, die beiden in 1568 op last van Alva werden onthoofd op de Grote Markt in Brussel.
Van der Zee wijst erop dat de periode van Floris’ leven in de Noord-Nederlandse historiografie tussen wal en schip valt. Toch was de tijd tussen 1480 en 1540 cruciaal voor de Nederlanden. Het was de overgang van de Bourgondiërs naar de Habsburgers, de reformatie diende zich aan, maar ridderlijke eer en katholiek geloof waren nog alomtegenwoordig. Floris stond met één voet in de middeleeuwen en met de andere in de vroegmoderne tijd.
Van der Zee beoogde een biografische schets te bieden, die bij gebrek aan bronnen zeker lacunes bevat, maar toch voldoende gedetailleerd is, zodat men een goed beeld van Floris van Egmond en zijn rol in het Bourgondische-Habsburgse staatsapparaat tussen 1483 en 1539 krijgt. Floris’ leven en carrière waren immers exemplarisch: via Floris wil Van der Zee bijdragen aan de kennis over het bestuur van de Nederlanden in de vroege 16de eeuw. De auteur verheelt niet dat er nog veel witte vlekken blijven.
De auteur beschrijft dan Floris’ leven chronologisch. De heer van IJsselstein en na de dood van zijn vader de tweede graaf van Buren begon als hoveling bij hertog Filips de Schone. Hij ontpopte zich als een doorwinterde militair en in dienst van Bourgondiërs en later Habsburgers bevocht hij Geldersen, Friezen en Fransen. Hij bekleedde de post van stadhouder van Gelderland en Friesland, van admiraal en kapitein-generaal. In al die functies onderhield hij een drukke correspondentie met zijn directe oversten, de landvoogdessen Margaretha van Oostenrijk en Maria van Hongarije. Floris was daarmee zowel getuige van als deelnemer aan het Habsburgse staatsvormingsproces in de Nederlanden.
De auteur onderbreekt de chronologie om hoofdstukken in te voegen over Floris’ kastelen en heerlijkheden (hoofdstuk 8), het militaire bedrijf (hoofdstuk 9) en religie, devotie en mecenaat (hoofdstuk 10). In het slothoofdstuk behandelt hij nagedachtenis en nazaten van Floris. De titel van graaf van Buren kwam via zijn kleindochter terecht bij Willem van Oranje en na hem bij de stadhouderlijke familie en ten slotte bij het Nederlands vorstenhuis.
Van der Zee slaagt er goed in het belang van een figuur als Floris als lid van de bovengewestelijke aristocratie voor het Bourgondisch-Habsburgs bewind te duiden: de loyale Floris leverde geen uitzonderlijke prestaties, maar was altijd wel overal bij. De auteur citeert regelmatig uit de correspondentie met de landvoogdessen. Aparte vensters gaan in op deelaspecten, zoals de briefwisseling, adelsverheffingen, de Orde van het Gulden Vlies, …
Het boek is prachtig geïllustreerd met goed geduide kleurenafbeeldingen en vereenvoudigde, maar duidelijke stambomen. Noten, een lijst van archieven, uitgegeven bronnen en literatuur en een namen- en plaatsnamenregister vervolledigen deze door Walburg Pers verzorgd en met leeslint uitgegeven biografie van Floris van Egmond.