Ruim honderd pagina’s tekst, zonder hoofdstukken of enige andere witruimte die de lezer even een moment van verpozing zouden kunnen bieden: zo voert Bob Vanden Broeck zijn personage ten tonele in zijn roman ‘Je zit op een stoel’. Aan het slot van de roman staat deze bedenking: ’hoe het niet uitmaakt of je de tekst begrijpt maar dat je mee wordt gevoerd door een ritme dat zich lijkt los te zingen van de woorden’. (p. 107) De enige vorm van houvast die de lezer krijgt aangereikt, komt hierop neer: een anoniem blijvende jij-figuur zit op een stoel en laat indrukken, gevoelens en waarnemingen op zich afkomen, waarbij werkelijkheid en verbeelding door elkaar heen lopen, ‘het mentale zitten en het fysieke zitten zijn met elkaar verstrengeld als een foetus met zijn moeder’ (p. 9). In een niet aflatende woordenstroom, waarbij de herhaling een niet onbelangrijke rol komt opeisen (een aantal zinnen en motieven komt telkens terug), worden de overpeinzingen genoteerd. Het blijft volhouden voor de lezer, dit avontuur van een tekst die waarnemingen en reflecties aan elkaar rijgt, maar: ‘omdat er te veel reflecties en te veel waarnemingen zijn, meer dan je brein kan behappen en daarom zijn al die waarnemingen en gedachten, al die gedachten en waarnemingen ook verlammend.’ (p. 98) Ergens typeert Vanden Broeck zijn schrijven als ‘de esthetiek van de nonchalante berekening’. Binnen deze context krijgen bepaalde passages een eigen zeggingskracht die vaak verrassend overkomt. Zo is er, met reminiscenties aan onder meer ‘Het boek alfa’ van Ivo Michiels, het beeld van de neerdwarrelende sneeuwvlokken, ‘dan zie je hoe dat sneeuwvlokje overloopt in een ander sneeuwvlokje, hoe twee sneeuwvlokjes al vallend samen één sneeuwvlokje vormen, hoe twee regendruppels aan elkaar beginnen te kleven, vocht uitwisselen, tegelijk bevriezen als met elkaar vervloeien’ (p. 45) In een tijdsklimaat waarin volop wordt ingezet op snelheid en overdaad, kan het bevrijdend werken een tekst te lezen die een pleidooi inhoudt voor de vertraging, voor stilstand, om ‘te blijven zitten op je stoel want je wil juist vertragen, remmen, stilstaan, want het is soms goed om te stoppen, om, zoals nu, iets tot stilstand te brengen’ (p. 48) Vanden Broeck heeft wel een radicale keuze gemaakt in de manier waarop hij deze thematiek uitwerkt. Misschien zal een aantal lezers eerder afhaken dan wel de moed opbrengen tot het eind door te lezen.