Johan Christiaens (her)introduceert in Vlaanderen een van de meest interessante Vlaamse denkers van de twintigste eeuw. Max Wildiers (1904-1996) was bovendien een auteur die Vlaanderen een warm hart toedroeg en zich jarenlang actief heeft ingezet voor de Vlaamse cultuur en voor het gebruik van het Nederlands. Een snelle zoektocht op het internet maakt duidelijk dat dit boek meer dan welkom is, dertig jaar na het overlijden van Wildiers, aangezien hij dreigt te verdwijnen in de plooien van de geschiedenis. Behalve een niet zo volledige Wikipediapagina en tweedehandsversies van zijn boeken laat Wildiers niet zo heel veel sporen na.
De auteur, historicus, theoloog en religiewetenschapper, neemt de lezer mee door het leven van Norbertus (Max als doopnaam) Wildiers. Deze kapucijnenpater, die het intellectuele leven in Vlaanderen en Nederland aanzienlijk heeft beïnvloed, was eigenhandig mee verantwoordelijk voor de verspreiding van het denken van auteurs die vandaag nog steeds klinkende namen dragen, zoals theoloog en paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin en filosoof Alfred North Whitehead. Als auteur van deze (Nederlandstalige) recensie kan ik Wildiers alleen maar waarderen om de inspanningen die hij heeft geleverd om het Nederlandstalige intellectuele leven te verrijken met boeken en artikelen in het Nederlands, evenals om zijn haarfijne maar vlijmscherpe analyses van maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen.
Aangezien het om een biografie gaat, volgt het boek de levensloop van Wildiers. Ik vind het bijzonder geslaagd dat Christiaens het volwassen leven van Wildiers structureert aan de hand van de namen waaronder hij publiceerde. Die aanpak toont aan dat zelfs in het leven van een denker van het formaat Wildiers allerlei, ook persoonlijke, ontwikkelingen plaatsvinden. Waar Wildiers aanvankelijk vooral publiceerde onder zijn kloosternaam Norbertus, zal hij later zowel zijn kloosternaam als zijn doopnaam gebruiken, om aan het einde van zijn leven uitsluitend nog te publiceren onder zijn doopnaam Max, de verkorte vorm van Maximiliaan.
Al bij al is het verfrissend om te lezen over een denker van formaat zonder daarbij te worden afgeleid door oneigenlijk of fout kerkelijk taalgebruik. Christiaens is duidelijk vertrouwd met het reilen en zeilen van de Katholieke Kerk en slaagt erin Wildiers zowel als kapucijn als als denker helder te positioneren binnen een complex kerkelijk landschap. Bovendien beperkt hij zich niet tot loutere levensgebeurtenissen, maar presenteert hij telkens beknopt de inhoud van verschillende werken van Wildiers. Op die manier brengt hij ook de inhoudelijke evolutie in diens denken op een heldere en inzichtelijke manier naar voren.
Aangezien een boekbespreking ook ruimte moet laten voor een kritische noot, haal ik eerst enkele opvallende elementen uit de biografie aan alvorens meer inhoudelijke vragen te stellen. Zo ben ik zelf niet overtuigd van de keuze om het boek in twee kolommen te drukken. Dit is een eerder oppervlakkige bedenking, maar ze komt de leeservaring en de overzichtelijkheid niet ten goede. Daarnaast hanteert de auteur soms een vrij zware schrijfstijl, waardoor zelfs moedertaalsprekers met een stevige academische achtergrond in het onderwerp bepaalde zinnen meer dan eens moeten herlezen. Meer fundamenteel zou ik durven stellen dat het boek tegelijk te kort én te lang is. De nalatenschap van Wildiers, voor wie wetenschapscommunicatie zo essentieel was, zou misschien beter gediend zijn met een korter en toegankelijker werk. Dat zou echter afbreuk doen aan het omvangrijke en grondige opzoekingswerk van de auteur. Tegelijk beslaat het leven van Wildiers een voor de Katholieke Kerk buitengewoon complexe periode, gekenmerkt door een opeenvolging van ingrijpende aardverschuivingen. Niet alleen hertekenen de wereldoorlogen de politieke en sociaaleconomische verhoudingen grondig, ook het Tweede Vaticaans Concilie probeert, in een bijna goddelijke dans (perichorese) van vernieuwing (aggiornamento) en herbronning (ressourcement), nieuwe wegen te openen.
Daarbovenop komen de maatschappelijke transformaties van pluralisering en secularisering, die het kerkelijke en levensbeschouwelijke landschap volledig hertekenen. Al deze ontwikkelingen voltrekken zich tijdens het leven van Wildiers. Voor de lezer zou het daarom soms wenselijk zijn om meer toelichting te krijgen: meer context, en zelfs meer petites histoires die deze complexe tijd tastbaarder maken. Ik denk dat Christiaens daarvoor bijvoorbeeld sterker had kunnen putten uit het historische werk van Leuvense historici Robrecht Boudens en Lieve Gevers. Naast deze kritische opmerkingen kan ik alleen maar bewondering opbrengen voor het archiefwerk van de auteur. De hoeveelheid bronnenmateriaal die Christiaens heeft verzameld en verwerkt, is ronduit indrukwekkend. Hij slaagt erin een genuanceerd beeld te schetsen van een auteur die honderden boeken, artikelen en recensies schreef, door naast het gepubliceerde oeuvre ook professionele en persoonlijke correspondentie en de archieven van betrokken kerkelijke instanties te raadplegen. Toch valt er ook bij het notenapparaat iets aan te merken. Aan het einde van het boek komen de eindnootnummers niet altijd overeen met de verwijzingen in de notenlijst. Vermoedelijk is er ergens een fout in het bestand geslopen die bij de eindredactie onopgemerkt is gebleven. Daarnaast zijn hier en daar ook kleine typfouten of lay-out onnauwkeurigheden terug te vinden, al treft de auteur hier weinig schuld aangezien het een monumentaal werk is. Ondanks mijn kritische opmerkingen gaat het hier om een monumentaal werk dat alle aandacht verdient. Elke Vlaamse universiteit — en bij uitbreiding elke Belgische en Nederlandse universiteit — zou een exemplaar van dit boek in huis moeten halen, al was het maar om zich bewust te blijven van het feit dat het Nederlands een volwaardige academische taal is, waarvoor geëngageerde intellectuelen zich hun hele leven hebben ingezet. Bovendien hebben veel van Wildiers’ analyses niets aan relevantie ingeboet. Het technocratische paradigma houdt de wereld nog steeds in zijn greep, de Katholieke Kerk blijft worstelen met de moderniteit en het ontbreken van een samenhangend wereldbeeld laat mensen vaak achter in een koud en kil universum. Hoewel Wildiers geen eenvoudige antwoorden biedt, helpt hij wel om de juiste vragen scherp te formuleren. Alleen al daarom verdient Christiaens alle lof.