Drie lijvige schrijversbiografieën binnen de acht jaar: il faut le faire! Na dat van J.M.H. Berckmans (2018) en Emmanuel de Bom (2021) heeft Chris Ceustermans nu het leven van Filip de Pillecyn te boek gesteld. De Pillecyn is vandaag vooral bekend door zijn prachtige novelle “Monsieur Hawarden “(1935), maar ook zijn roman “Mensen achter de dijk” (1949) kan nog steeds op grote literaire waardering rekenen. Door foute politieke keuzes vanaf de jaren ’30 werd De Pillecyn een spilfiguur van de Nieuwe Orde in Vlaanderen, waardoor hij na de Tweede Wereldoorlog in de gevangenis belandde. Filip de Pillecyn werd in 1891 geboren in Hamme, tussen de dijken van de Durme en de Schelde. Nadat zijn ouders allebei relatief jong overleden waren, kwam hij onder de voogdij van zijn dooppeter, pastoor Philippe de Pillecyn. In het Klein Seminarie van Sint-Niklaas kreeg hij hoofdzakelijk les in het Frans, maar begon hij zich ook te interesseren voor het romantische flamingantisme à la Albrecht Rodenbach. Filip was een uitstekende leerling, al bleek hij voor het priesterschap niet in de wieg gelegd. Hij ging Germaanse talen studeren aan de universiteit van Leuven, waar hij zich al snel engageerde in het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) en publiceerde in “Ons Leven”, het tijdschrift van het KVHV. Nog voor hij zijn studie had afgerond, kon hij al aan de slag bij de pas opgerichte krant “De Standaard”. De Eerste Wereldoorlog oorlog stak echter een stevige stok voor zowel zijn afstuderen als zijn journalistieke carrière. Voor De Pillecyn aan het IJzerfront belandde, maakte hij een tussenstop in Nederland, waar hij in Den Haag voor het Belgisch Bureel voor informatie en propaganda aan de slag ging. Er waren plannen voor een stage bij de katholieke Nederlandse krant “De Tijd” en medewerking aan “De Vlaamsche Stem”, maar die liepen klaarblijkelijk allebei spaak. In eerdere biografische schetsen, onder meer op de website van het De Pillecyn Comité, wordt beweerd dat hij in deze periode voor De Maasbode werkte. Ceustermans gaat hier niet op in. Wat De Pillecyn dan wel deed tijdens zijn jaar in Nederland, behalve kranten verknippen, blijft wat onduidelijk. Als Vlaams soldaat in het Belgische leger raakt De Pillecyn met wapenbroeders als Jozef Simons, Hendrik Borginon en Adiel Debeuckelaere betrokken bij de Frontbeweging, die onder meer ijverde voor een eentalig Nederlands Vlaanderen in een nieuw, federaal ingericht België. Toch ging hij na de oorlog aan de slag bij “De Standaard” onder leiding van de in De Pillecyns ogen te gematigde flamingant Frans van Cauwelaert. In 1922 verkaste hij naar het satirische weekblad “Pallieter”, waar hij zijn radicale ideeën makkelijker kwijt kon. Ceustermans wijst nogal vergoelijkend op De Pillecijns ‘af en toe’ overhellen naar ‘onversneden antisemitisme’ en ‘opstoten van antisemitisme’ in zijn hoofdartikels voor “Pallieter”, terwijl het mijns inziens duidelijk is dat De Pillecyn altijd antisemiet is geweest en gebleven – zelfs na de Tweede Wereldoorlog, zoals onder meer blijkt uit zijn gevangenisdagboek (1944-1949).
Omstreeks die tijd begon De Pillecyn aan zijn carrière als prozaschrijver. Zijn romandebuut “Pieter Fardé” volgde in 1926. In hetzelfde jaar behaalde hij eindelijk zijn doctoraat (over Hugo Verriest) en ging hij aan de slag als leraar in Malmedy. In deze Duitse grensstreek vond hij inspiratie voor de roman “Hans van Malmedy” (1935) en de novelle “Monsieur Hawarden”, al verschenen deze teksten pas toen hij naar Mechelen verhuisd was om er leraar te worden aan het Pitzemburg-atheneum. Uit zijn journalistiek werk blijkt dat De Pillecyn in de loop van de jaren dertig, zoals wel meer oud-fronters, steeds meer toenadering zocht tot nazi-Duitsland. De bloed-en-bodemideologie drong zelfs door in zijn literaire werk, zoals in “De soldaat Johan” (1939). Het mag dan ook geen verbazing wekken dat de schrijver volop voor de collaboratie koos tijdens de Duitse bezetting. De Pillecyn werd betrokken bij het hertekenen – lees: nazificeren – van het Vlaamse culturele landschap. Als directeur voor het middelbaar onderwijs was hij mee verantwoordelijk voor de uitsluiting (en meestal daaropvolgende deportatie) van Joodse kinderen. Uiteraard werd hem dit alles zwaar aangerekend na de bevrijding, met een enorme geldboete en een gevangenisstraf van tien jaar tot gevolg, al kwam hij al na vijf jaar voorwaardelijk vrij. De Pillecyn heeft nooit echt berouw getoond voor zijn daden en hij bleef tot aan zijn overlijden in 1962 rancune koesteren tegenover de Belgische staat. Ironisch genoeg schreef hij in de cel de roman “Mensen achter de dijk”, die velen als zijn meesterwerk beschouwen. Ceustermans is er prima in geslaagd De Pillecijns leven gebald en met vaart op papier te zetten. Ik heb wel de indruk dat hij op hem minder vat gekregen heeft dan op zijn eerdere onderwerpen. Meer dan eens blijft hij op de vlakte en spaart hij de kool en de geit, mogelijk omdat het De Pillecyn Genootschap over zijn schouder meekeek. Voor mij wordt uit dit boek wel duidelijk dat Filip de Pillecyn als schrijver groot mag heten, maar als mens klein.