De nieuwste Murakami is eigenlijk een boek van Makoto Wada. Deze Japanse illustrator nodigde de schrijver in 1992 uit om teksten te schrijven bij zijn portretten van jazzmusici. In 1997 herhaalde hij die uitnodiging; “Ik ken niemand anders die dat gevoel van luisteren naar jazz, die kracht die jazz bezit zo treffend in een tekst weet te gieten.” Net door die portrettren slaagde Murakami er eindelijk in om over jazz te schrijven. Deze muziek stond altijd al zijn centraal in zijn leven en werk, maar pas in 1992 vond hij een aanknopingspunt: “als ik zo’n afbeelding van Wada bekijk, doemt er in mijn hoofd prompt een soort melodie op die de muzikant in kwestie ten voeten uit typeert en heb ik het gevoel dat ik die alleen nog maar hoef om te zetten naar tekst”. De illustraties en teksten kwamen oorspronkelijk samen in tentoonstellingen, maar zijn hier samen gebracht in een vertaling van Luk Van Haute. De 55 portretten betreffen overwegend artiesten uit de ‘klassieke’ jazz, tot begin de jaren zestig. De ‘jongste’ muzikant is Herbie Hancock, geboren in 1940 en de enige nog actieve artiest in dit boek.
Murakami gaat telkens op zoek naar wat hem persoonlijk het meest aanspreekt maar relativeert die keuze ook ruimschoots. Hij selecteert en beargumenteert telkens zijn favoriete album. De gitarist Wes Montgomery bijvoorbeeld bewondert hij in het algemeen, maar hij verkiest het vroege werk, zoals het live album Full House (1962). Hij prijst er de ‘latrelatie’ tussen de gitarist en saxofonist Johnny Griffin. Hun spel valt te niet te veel samen, we horen een “dosering tussen verstrengeling, afstoting en prikkeling”. Murakami heeft graag dat het wat botst tussen muzikanten. In het stukje over Charlie Parker en het album Bird and Diz (1952) gaat het de hele tijd over de spanning tussen de flamboyante swing van Buddy Rich en het avant-gardistische pianospel van Thelonius Monk. Vroeger vond hij dat die twee niet samenpasten maar intussen bevindt hij de combinatie toch interessant omdat de spanning de aandacht vestigt op de individuele genialiteit van de twee.
Naast frictie is Murakami ook op zoek naar ‘zorgelijkheid’. Daarom verkiest hij Frank Sinatra boven Tony Bennett, of spreekt het perfecte spel van Clifford Brown hem emotioneel minder aan. Stan Getz is voor hem de grootste omdat hij onder het prachtige spel “de roedel uitgehongerde wolven die je heimelijk in je ziel herbergt genadeloos oproept” (p. 34) – het is een zin die in één van zijn romans zou kunnen opduiken. Of deze bedenking bij het oeuvre van Cannonbal Adderley: “Als puntje bij paaltje komt belichaamt werkelijk uitmuntende muziek (althans voor mij, bedoel ik dan) de dood” (p. 60). Je kan hier parallellen trekken met de poëtica van zijn eigen literaire werk. (Van het ‘grootmoedige natuurkind’ Adderley vindt hij overigens niet dat hij zo’n ‘levensgevaarlijke’ sfeer oproept.)
De auteur heeft ook nog andere criteria om jazz mooi te vinden, zoals de herinnering aan zijn jongere jaren, of gewoon een lekkere, superb gespeelde groove. Een klein verschil kan het hem ook doen, zoals het gebalde drumwerk van Shelly Manne dat de West Coast Jazz net iets ‘hotter’ maakt’. Murakami bespreekt het album Shelly Manne & His Men at the Black Hawk, opnieuw een originele, persoonlijke keuze. Zo passeren, naast enkele klassieke albums, veel minder bekende platen. Die persoonlijke aanpak, tesamen met de precieze omschrijving van het waarom, maken deze portretten interessant en nodigen uit tot het verder, opnieuw of juist voor de eerste keer beluisteren van deze jazzmuziek.