Hieronder vindt u de jongste recensies. Selecteer een genre, vervolgens selecteer de recensie die u wenst u te bekijken en klik tenslotte op 'Lees recensie'.
In zijn bundel ‘Randschade’ maakt Johan Clarysse (1957), die ook beeldend kunstenaar is, duidelijk hoe belangrijk de taal voor hem is. ‘Het hevigst leeft hij in het woord’ luidt het in het gedicht ‘Salpeter’. Of neem het gedicht ‘Paradox’, waarin de relatie met de geliefde wordt benaderd vanuit een bijna directe betrokkenheid op alles wat het taalgebruik te maken heeft: ‘ze maakt van stiltes zinnen’, ‘het alfabet sprint door haar mond’, en zo gaat het verder tot deze afrondende, bijna als corrigerend te lezen verzen: ‘Vingers vinden zich een weg / voorbij de taal.’ Dat hier nadrukkelijk wordt gefocust op het lichaam – zie ook het enig mooie gedicht ‘Even, met onder meer deze verzen: ‘Liever maak ik muziek in je aders / volg ik de omloop van je hartslag’ – heeft te maken met de ‘randschade’ die de ik uit de gedichten blijvend ondergaat in zijn strijd tegen ziekte, dood en vergankelijkheid. De openingscyclus van de bundel heet niet toevallig ‘Lijfspraak’ en roept het verblijf op in het ziekenhuis. De ik weigert zich over te geven aan zelfbeklag, ‘Met cellen die zich / dwars gedragen onderhandel ik / een eerbaar staakt-het-vuren’, en verder: ‘Terwijl mijn kamergenoot koppig / schermstaart, vermaal ik de dag tot letters / bedenk scenario’s waarin ik uitwijken kan.’ Uitwijkmogelijkheden worden hem aangereikt door de geliefde: ‘Laat ons van ijsbloemen straks / bladeren aan de bomen maken.’ De geliefde als ‘baken’ kortom (de titel van de tweede afdeling uit de bundel), ‘zonlicht danst zich de hemel in’. Ook op dit punt geen zorgeloos optimisme, de gedachte aan de dood blijft constant op de achtergrond meespelen. Clarysse suggereert het al in de titel van de derde afdeling, ‘Doodgewoon’. In het gedicht ‘Badkamerspiegel’ staat de figuur van de vader centraal. Het is een gedicht waarin een spel wordt gespeeld met intertekstualiteit: de openingsverzen ‘Dagelijks breek je de ochtend open / in mijn badkamerspiegel, levensgroot’ doen me terugdenken aan de bundel ‘Overval’ van Gwy Mandelinck, en dat verder in het gedicht staat te lezen ‘dat we schoorvoetend / dansen op het koord tussen / tuin en wereld’ kan verwijzen naar Paul de Wispelaere. Gaandeweg deze cyclus komt de dood in een meer algemene benadering aan bod, ‘Je bekende dat je een kiezelsteen bent / in de laars van al wat leeft en beweegt.’ Treffend zijn verder, in de afdeling ‘Tussentijdse berichten’, de gedichten die zijn geschreven ‘voor mijn grootmoeder Cecile’: ‘In de balzaal van haar brein dansen / engelen een tango met kwelgeesten’. En verder heeft Clarysse het over ‘haar zelfbouwpakket van kinderlijke / wensen’ , en zijn liefdevolle benadering van haar: ‘Ik raak de hand op de armleuning / van haar stoel, wieg haar in een vangnet / van zwijgen.’ In de slotcyclus van ‘Randschade’ zoekt de dichter in Clarysse door de uitgesproken aandacht erin voor kleuren, toenadering tot de beeldend kunstenaar die hij ook is en blijft, ‘hij kijkt naar wat ontbreekt. / Als een zoeklicht waart zijn blik.’ Veelzeggend is dan ‘Nomadisch’, het bijzonder mooie slotgedicht van de bundel: ‘Je voert een gesprek met de eik / waaronder je languit rust: / over een tweede heelal / waar alles eindeloos begint / en waar nomadische zielen / naar buitenaardse woorden zoeken. // Je bereidt je voor.’ In de beheerste verwoording, met een strofebouw die nergens als zijnde geforceerd overkomt en met verzen die hun intrinsieke zegging versterkt weten door het aanwenden van allitteraties, binnen- en eindrijmen, bevestigt Johan Clarysse al het goede dat eerder werd geschreven bij zijn debuut.
kunsttijdschriftvlaanderen.be gebruikt technische cookies die noodzakelijk zijn voor de werking van de website.