Meneer Palomar, het personage uit de laatste roman van Italo Calvino (1923-1985) heeft twee 20ste-eeuwse broers. De ene is de zwijgzame monsieur Teste van de Fransman Paul Valéry, de andere heet meneer Cogito, de subversieve denker uit de gedichten van de Pool Zbigniew Herbert. Palomar, een intellectuele monsieur Hulot, is verwikkeld in een gevecht met een veelvormige en fascinerende werkelijkheid, die hij telkens prachtig beschrijft, maar waar elke poging tot vormgeving of formule, die hij niet vertrouwt, geen vat op krijgt. Palomar is niet toevallig de naam van een befaamde sterrenwacht in Californië. Kijken doet deze heer naar de sterren, de tuin, zeegolven, giraffen, een pantoffel, jongeren, een albino-gorilla en nog veel meer, alles netjes opgedeeld in negen hoofdstukken met telkens drie of vier “verhaaltjes”. Het zijn mijmeringen rond observaties, mogelijkheden en alternatieve wijzen van kijken. Als er bij Palomar al een grondgedachte zou zijn, is het een gevecht tussen een inperkende vorm- en systeemdwang – menselijk, onmisbaar en moeilijk te onderdrukken – en de overdonderende, rijke en geheimzinnige werkelijkheid die hieraan weerstand biedt, of het nu een grasperk is of het heelal. Italo Calvino was tot 1957 lid van de Italiaanse communistische partij maar nam nadien, parallel met zijn belangstelling voor de literatuur – hij werkte ook als uitgever - afstand van een al te rigoureuze partijideologie. In het hoofdstuk ‘Het model der modellen’ bedenkt Palomar dat “wat modellen proberen te modelleren toch altijd een machtssysteem is; maar als de doeltreffendheid van het systeem wordt afgemeten aan zijn kwetsbaarheid en duurzaamheid, wordt het model een soort burcht waarvan de dikke muren verbergen wat erbuiten ligt.” En op dat punt blijft Palomar “open, verstoken van elke zekerheid” en eminent nieuwsgierig, egocentrisch piekerend maar toch hunkerend naar andere gezichtspunten. Hoe zien vogels een stad van bovenaf; wat maakt een giraf tegelijk zo stuntelig en elegant; heeft de gekko genoeg aan zijn onbeweeglijke bestaan (behalve zijn tong dan) en hoe sensueel beleven schildpadden hun baltsmomenten met hun tegen elkaar schurende schilden? Humor is een wezenlijk bestanddeel van deze wendbare en botsende mijmeringen. In ‘De blote borst’ wandelt Palomar over het strand waarop een vrouw met ontbloot bovenlijf ligt te zonnen. Wars van een ouderwetse preutsheid en bereid tot een moderne emancipatie, maar zonder indiscreet te willen zijn, wandelt hij, telkens opnieuw zoekend naar de juiste houding, langs de vrouw die uiteindelijk wegloopt “alsof ze vlucht voor de lastige avances van een satyr”. Waarop hij bitter besluit: “Het loodzware gewicht van een traditie van slechte manieren verhindert dat de meest verlichte bedoelingen op hun juiste waarde worden geschat.” Voor wie naar verrassende en wezenlijke vragen verlangt, tegelijk luchtig en geestig geformuleerd met de precieze pen van een meester, is meneer Palomar uitgelezen gezelschap. ‘Palomar’ is een herziene herdruk die vele nieuwe lezers verdient.