Met enige schroom heb ik mij aan de lectuur van de Alleenspraak van Bonaventura gewaagd. Ik ben namelijk wel theoloog, maar ik ben niet zo vertrouwd met de middeleeuwse spiritualiteit en mystiek. Bonaventura was voor mij dan ook vooral een naam uit inleidende cursussen in de theologie en de filosofie. Bij aanvang van de lectuur was ik me dan ook sterk bewust van het verschil tussen mijn eigen Gods-, mens- en wereldbeeld en dat van de middeleeuwse auteur. Ik verwachtte mij dan ook aan een reis door de voor mij vreemde wereld van de middeleeuwse spiritualiteit.
Mijn vrees was echter totaal ongegrond. Na een uitstekende inleiding door Nicoline Roskam die de 13de-eeuwse Bonaventura contextualiseert en toegankelijk maakt voor de minder geoefende lezer, werd ik verrast door de aangename lectuur. De voormalig generaal-overste van de franciscanen (en ook wel tweede stichter genoemd omwille van zijn stabiliserende invloed in de op dat moment nog jonge orde) was eerder in zijn carrière hoogleraar in Parijs en op het einde van zijn loopbaan zelfs kardinaal en aartsbisschop van Albano. Het vertaalde werk is echter geen hoogdravend theologisch traktaat, maar een tweegesprek tussen de mens en diens ziel over hoe contemplatie en geestelijke oefening vorm moet krijgen. Dit geldt in het bijzonder voor religieuzen en het gaat uiteindelijk over hoe te “reiken tot Hem die einde en vervulling is van elk verlangen” (p. 25). Een meer nauwkeurige poging om het ‘doel’ van dit boek te vatten zou vermoedelijk een te (post)moderne herlezing zijn want hoewel Bonaventura een duidelijk doelpubliek voor ogen heeft, is zijn traktaat spiritueel en begeleidend van aard en dient als dusdanig ook op een nederige en bescheiden manier gelezen te worden.
In vier “hoofstukken” overschouwt Bonaventura het innerlijke, het uiterlijke, het lagere en uiteindelijk het hogere. Het boekje, of het traktaat, is dan wel, zoals Roskam in de inleiding opmerkt, geschreven “ten behoeve van alle eenvoudigere lezers geschreven in eenvoudige taal”. Het is, desalniettemin en in de eigen woorden van Bonaventura, “gebaseerd op uitspraken van heiligen en heeft de vorm van een dialoog, waarin de devote ziel, als leerlinge van de eeuwige waarheid, al denkend vragen formuleert en de innerlijke mens in een mentaal gesprek daarop antwoord geeft” (p. 25).
Voor een hedendaagse lezer is vooral het aantal voetnoten indrukwekkend. Bonaventura weeft verwijzingen naar de bijbel en een hele batterij aan spirituele auteurs, heiligen en leraren van de kerk samen tot een vlot leesbaar relaas dat misschien soms wel wat ‘vroom’ of ‘ouderwets’ aandoet, maar dat nergens (of toch bijna nergens) tegen de borst stoot. Als eigensoortig genre is het echt een inspirerend en zelfs enigszins ontspannend traktaat dat de hedendaagse lezer aan het denken zet over, bijvoorbeeld, de overdadige prikkels van het kortstondige genot. De verheerlijking van het religieuze leven als de meest heilige levensweg is voor een hedendaagse lezer dan misschien nog het vreemdste moment in het boek (als je voorbij de hel en de verschillende soorten engelen leest, namelijk de serafijnen, de cherubijnen, de tronen, de heerschappijen, de vorstendommen, de machten, de krachten, de aartsengelen en uiteindelijk de engelen).
Ik laat het aan classici en kerkhistorici om de kwaliteit van de vertaling te beoordelen, maar op zijn minst de Nederlandse vertaling leest vlot en komt helemaal niet weerbarstig over zoals soms wel het geval is met zulke vertalingen van spirituele werken. De kwaliteit van de noten, bibliografie en de verantwoording doen vermoeden dat ook de kwaliteit van de vertaling in orde is. Al bij al is dit een boek om te degusteren, niet om zomaar van kaft tot kaft te lezen.