In ‘Ambitie en ondergang’ laat Marc Boone ‘De geldhonger van de Bourgondische vorsten’ zien aan de hand van het wel en wee van de Bruggeling Pieter Lanchals (1441-1488). Boone is professor emeritus middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit Gent en een eminent vertegenwoordiger van de Gentse historische school. Dit boek is het erudiete resultaat van decennia historisch onderzoek en een lang rijpingsproces, waarvoor zijn emeritaat tijd gaf.
In de inleiding stelt Boone dat hij een financieel ambtenaar uit de niet-adellijke bureaucratische top wil volgen en met Lanchals’ loopbaan als leidraad een perspectief wil openen op ruimere historische ontwikkelingen, want Lanchals’ leven geeft een inkijk in het functioneren van de Bourgondisch-Habsburgse overheid in een tijd waarin de traditionele machtsbalans tussen de centrale overheid en de stedelijke oppositie in het geding was.
Boone begint met het tragische einde van Lanchals: op 22 maart 1488 werd deze topambtenaar van de Bourgondisch-Habsburgse administratie op de Brugse Grote Markt geëxecuteerd. Daarna komt dan Lanchals’ leven chronologisch aan bod: de bescheiden afkomst als zoon van een begoede Brugse schrijnwerker en een met financiën vertrouwde makelaarsdochter, Lanchals’ beginnende carrière in de Bourgondische administratie als financiële loopjongen, zijn promotie tot algemeen ontvanger, die mee het financieel beleid bepaalde, in dienst van Karel de Stoute, zijn houding in de crisis van 1477, toen de door de Vlaamse steden belaagde Maria van Bourgondië trouwde met Maximiliaan van Oostenrijk, in wiens onvoorwaardelijke dienst Lanchals zich stelde tijdens de burgeroorlog (1482-1492), wat dan leidde tot zijn executie. Het slothoofdstuk gaat in op het ‘Nachleben’ in Brugge, al was het dan als ‘urban legend’. De zwaan in Lanchals’ wapenschild gaf aanleiding tot de overlevering dat Brugge als straf voor de executie van Lanchals door Maximiliaan zou veroordeeld zijn tot eeuwigdurend onderhoud van zwanen op de Brugse reien. Dat wordt niet door de bronnen ondersteund, maar is een invented tradition uit de 19de eeuw.
Marc Boone kadert Lanchals’ levensloop goed gedoseerd in de bredere geschiedenis van de Bourgondisch-Habsburgse periode. Hij laat zien hoe de deplorabele staat van de overheidsfinanciën noopte tot lapmiddelen en leidde tot corruptie en afpersing met financiële douceurtjes en persoonlijke verrijking voor de hoge financiële ambtenaren. ‘Levereter’ Lanchals pikte lustig een graantje mee van de dis die hij zelf had opgediend, en als schout van Brugge schuwde hij geen repressie om de weerstand tegen Maximiliaan te breken, waardoor hij de haat van de tegenpartij op zich laadde met het gekende gevolg.
Boone kon putten uit de rijke financiële documentatie van de Bourgondische administratie, maar ook uit het persoonlijk archief van het nageslacht van Lanchals, door Maximiliaan geadeld en via zijn tweede huwelijk gelieerd aan de Vlaamse adel. Goed geduide kleurenillustraties in de tekst, eindnoten na elk hoofdstuk en achteraan een uitgebreide bibliografie en een index van plaats- en persoonsnamen vervolledigen deze historische monografie, die vanuit het perspectief van een financieel ambtenaar een mooi totaalbeeld van de Bourgondisch-Habsburgse tijd geeft op een kantelmoment in de geschiedenis. Het boek is bijzonder verzorgd en met leeslint in hardback uitgegeven.