Met ‘De erfenis van Hendrica Leurs’ schreef Marlies Medema een roman over een Nederlandse vrouw, die 1837 verdacht werd van valsmunterij en het voorwerp werd van een rechtszaak met grote weerklank. De Nederlandse schrijfster en journaliste schreef eerder al ‘Papieren Paradijs’ (2021) over een 19de-eeuwse predikantenvrouw in Suriname en ‘Lysbeth’ (2023) over een koopmansvrouw verwikkeld in de godsdiensttwisten in het 17de-eeuwse Holland. Ook in deze roman brengt zij een vergeten vrouw voor het voetlicht.
Hendrica Leurs werd in 1794 in Den Haag geboren in een familie van hoog aanzien. Op acht jaar wees geworden werden zij en haar anderhalf jaar oudere zusje aan de zorgen van familie toevertrouwd. Hun omvangrijke nalatenschap was voor een groot deel belegd in staatsobligaties. Door de sterke waardevermindering hiervan in de Franse tijd verloren de twee zusters het grootste deel van hun bezit. Ergens vóór 1815 begon Hendrica haar eigen geld te verdienen als ‘secondante’ (leerkracht) in Utrecht. Later werd ze gouvernante bij zeer aanzienlijke families in Utrecht en Amsterdam. In 1833 had zij haar eigen school voor ‘jonge juffrouwen van de beschaafdste en fatsoenlijkste stand’ aan de Trans in Utrecht, die in 1836 verhuisde naar de Nieuwegracht. De kostschool had een uitstekende naam.
Omstreeks de jaarwisseling van 1836-1837 werd Hendrica Leurs verdacht van het vervalsen van bankbiljetten en uiteindelijk in oktober 1837 gearresteerd. In november volgde in Amsterdam een geruchtmakende rechtszaak. Na afloop werd zowel de Akte van Beschuldiging als de pleitrede in druk uitgegeven. De Procureur-Crimineel eiste de doodstraf. Leurs werd met succes verdedigd door de jonge vierentwintigjarige Amsterdamse advocaat Jan van de Poll en vrijgesproken. Wie verantwoordelijk was voor de vervalsing rond de jaarwisseling werd nooit opgehelderd. Al snel probeerde Hendrica de draad van haar leven weer op te pakken, maar kennelijk lukte het haar niet om het werk als kostschoolhoudster in Utrecht succesvol voort te zetten. Ze vertrok naar Nederlands-Indië, vestigde er zich als particuliere onderwijzeres en overleed er in 1870 zonder erfgenamen.
Medema situeert haar roman in de jaren 1832-1837. Ze laat Hendrica aan het woord in een lange monologue intérieur en verweeft de hoofdstukken van Leurs’ maanden in voorhechtenis van januari – in realiteit werd ze pas in oktober gearresteerd – tot november 1837 met langere hoofdstukken over de periode maart 1832 tot de jaarwisseling 1836-1837. Hier en daar past ze de chronologie aan in functie van de opbouw van haar verhaal. Ze maakt met de schaarse historische gegevens een verhaal van een vrouw die verstrikt raakt in een web van chantage, geldnood en vervalsing. Ze volgt Hendrica, die zich na een verboden liefde en een groot verlies weet op te werken tot directrice van een meisjesschool in Utrecht en die zich inzet om meisjes een betere toekomst te geven. Wanneer geheimen uit haar verleden aan het licht komen, dreigt alles waarvoor Hendrica heeft gevochten, verloren te gaan. Medema zet Hendrica neer als een vrouw die haar waardigheid weet te behouden in een wereld die haar dwingt om morele grenzen te overschrijden. Ze slaagt er treffend in de tijdscontext te schetsen, de personages geloofwaardig voor te stellen en haar plot plausibel te maken. Een nawoord, waarin de historische informatie wordt opgelijst, foto’s in zwart-wit en een lijst van de bronnen vervolledigen deze vlot leesbare historische roman.