Zeventig is hij geworden, Eduard Bottelaer, de man die door Guido van Heulendonk al ten tonele werd gevoerd in zijn debuutroman ‘Hoogtevrees’ en nadien nog in het met de Gouden Uil-bekroonde ‘Paarden zijn ook varkens’. Bottelaer blijft Bottelaer zoals we hem toentertijd al leerden kennen: de man die in zijn hoofd de republiek ‘Darkestan’ heeft uitgeroepen, de man die na zijn mislukte acteurscarrière de baan is opgetrokken als vertegenwoordiger van een koekjesfabrikant, de man die zijn Grote Liefde is kwijtgespeeld aan een dokter die bij Artsen zonder Grenzen werkte, de man die zijn tweede huwelijk met een mode-ontwerpster zag stranden op haar drugsverslaving (één enkel keer heeft hij ook een lijntje gesnoven, het was geëindigd ‘in een hartverscheurende geknielde monoloog tot de wc-pot’ – p. 61), de man kortom die ‘als er ergens pech te rapen viel, meestal op de eerste rij stond’ (p. 188). Nu hij de kaap van de zeventig heeft gerond, daagt het hem dat hij eindelijk eens een goede daad mag gaan stellen. Zoveel onheilspellends komt op hem af dat hij eronderdoor dreigt te gaan, zeker als hij ervan doordrongen raakt dat onze samenleving binnen een vorm van twee-zaamheid is gevat: ‘Kloven overal. Het lijkt wel alsof de mensheid rondhinkt op één reusachtige, gespleten hoef.’ (p. 30) Of meer concreet: de kloof tussen burger en overheid, de kloof tussen Oost en West, tussen Poetin en Zelensky, tussen stad en platteland, tussen rijk en arm, tussen jong en oud, tussen derde en eerste wereld, tussen gender en geslacht, tussen taal- en wetenschapsonderricht, tussen ideologie en beleid, tussen mainstream en social media, de kloof tussen republikeinen en democraten…’ (p. 30) Darkestan uitvergroot van het brein van Bottelaer tot over de grenzen van het persoonlijke… Zoveel zwart, zoveel duister, en toch is ‘De ravijnenvuller’ allerminst een boek dat doordrenkt is van pessimisme. De ironische afstandelijkheid waarmee Van Heulendonk zijn portret van een loser uittekent, laat de lezer voldoende ademruimte om het gezelschap van Bottelaer tot het verrassende slot van de roman, ‘het ultieme ravijn’ zoals reeds aangegeven vooraan in de roman (p. 40), uit te zitten. Treffende beschrijvingen, meesterlijk in taal gevat, kleuren het geheel. Een voorbeeld: over zijn 85-jarige tante:’Mimi had zich, zoals gewoonlijk, royaal opgemaakt, of laten opmaken, en haar naderende gezicht, met de roze gestifte rimpellippen en de perzikblush op wangen en jukbeenderen, gaf hem, ook al door het parelhalssnoer, de indruk in te zoomen op een gecraqueleerd portret uit de renaissance’ (p. 47) Het contrast met de bedenking die Bottelaer maakt over de uitholling van onze talige gevoeligheid, kan niet groter zijn: ‘De huidige wereld, waarin elke zin voor suggestie en nuance, voor het fijnere denkwerk en de precieze expressie daarvan, moest wijken voor het gekakel van slogans, reclame, de dreun van pitch en soundbite, de uitkleding tot valse eenvoud van alles wat meerduidigheid inhield.’ (p. 66) Ook de talrijke intertekstuele verwijzingen bepalen het exceptionele karakter van de roman. Van populair geworden songs en tekstflarden uit een middeleeuws getijdenboekje dat Bottelaer toegestopt krijgt door Mimi, tot en met de lectuur die Bottelaer echt aan het denken zet, dit mede bepaald door de omgang met Ganzenveer, gewezen leerkracht en een echte ‘boekenmens’. Twee boeken doen er hier, naast de zovele andere die Bottelaer gelezen heeft en waar in de roman telkens wordt naar verwezen met de term ‘wespen’, echt toe: ‘Outer dark’ van Cormac McCqarthy (‘een verontrustend zwarte parabel over de menselijke existentie’ – p. 11) en ‘Babi Yar’ van Anatoli Koezetsov, de ‘complete uncensored’ versie ervan, met in vetjes gedrukt de passages die de Russische censuur niet hadden overleefd , dit om het Russische volk te beschermen tegen een collectieve depressie (of, zoals mooi gevat in dit beeld: ‘Het mondkapje van het verzwijgen. Het vaccin van het vooruitgangsoptimisme. – p. 18) Het Kievse ravijn van Babi Yar, waar in 1941 meer dan 100.000 mensen door de nazi’s werden vermoord. Er zijn aangenamer boeken om mee te vertoeven… Bottelaer beseft maar al te goed dat hij daar iets moet tegenover stellen, dat hij één keer tenminste een goede daad moet stellen, dit tegen alle twee-zaamheid van het bestaan is. De kans daartoe krijgt hij van tante Mimi: nu zij haar einde voelt naderen, verzoekt ze hem in de Mariagrot in Lourdes haar persoonlijke aan de moeder van Jezus gerichte boodschap in een gleuf (de kloof!!) te stoppen. Niet zonder enige persoonlijke overweging van financiële aard – hij hoopt dat zijn tante hem haar optrekje in Nieuwpoort zal nalaten – aanvaardt Bottelaer de opdracht. Het ligt dan verder in de lijn van de verwachtingen: Bottelaer sukkelt van de ene tegenslag in de andere. Van panne langs de snelweg tot het verlies van de brief van Mimi en verder in Lourdes de op een fiasco uitlopende toenaderingspoging tot de beeldschone Griekse studente Larissa… Mooi ingebed in het relaas van Bottelaers reis is, naast de bedenkingen over diens persoonlijke leven, de toevoeging van de verhalen die hij aangereikt krijgt bij de ontmoetingen onderweg. Er is het verhaal van de zigeunerin Alina, afkomstig uit een dorpje ‘niet zo ver gek weg van Boekarest, de hoofdstad van een corrupte, aan internationale infusen hangende puinhoop van een natie’ (p. 200). En, misschien nog het belangrijkste van alles hierbij: er is het verhaal van de middeleeuwse Methildis, op wier naam Bottelaer is gestuit in het getijdenboekje van Mimi. In het Noord-Franse Lappion – zo weet Bottelaer te achterhalen bij zijn bezoek aan het dorpje – wordt Methildis-Mathilde nog steeds vereerd om haar heldhaftige besluit zich uit de maatschappij terug te trekken en door haar sobere levensstijl tot voorbeeld te strekken voor haar medemensen.
‘De ravijnenvuller’ kan worden gelezen als het sluitstuk van de Bottelaer-trilogie. Voor de lezer die de eerdere delen ervan niet heeft gelezen, mag dit geen probleem vormen. De roman overtuigt ook los daarvan, zo indringend en overtuigend als hij is.
|