Na zijn uitstekende biografie van Jo Otten uit 2011 en zijn naar mijn gevoel iets te uitvoerige levensverhaal van Victor van Vriesland uit 2023, presenteert Rob Groenewegen nu een boek over het leven van Arthur van Schendel. Anders dan Otten en Van Vriesland behoort deze romanschrijver tot het kruim van de Nederlandse letterkunde. Zijn naam en zijn roman “Een zwerver verliefd” (1904) figureren alleszins in de canon van de Nederlandse literatuur die in 2002 door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde werd voorgesteld. Zijn grootste succes scoorde hij met “Het fregatschip Johanna Maria” (1930), dat meer dan veertig keer werd herdrukt en in een tiental talen werd vertaald. In 1938 was Van Schendel zelfs de Nederlandse kandidaat voor de Nobelprijs Literatuur.
Wie zou denken dat er over zo’n man wel een spectaculaire biografie te schrijven viel, komt echter bedrogen uit. Dat is ook de reden waarom Kester Freriks in 2010 zijn werk aan de biografie van Van Schendel opgaf: er viel ‘te weinig pakkends over de persoon Van Schendel te melden’. Niet alleen omdat Van Schendels leven op zich weinig spannend was, maar ook omdat er relatief weinig bronnenmateriaal voorhanden is, waarmee de biograaf aan de slag kon. Groenewegen wist dus waaraan hij begon.
Het resultaat van Groenewegens biografische arbeid is een mooi uitgegeven in linnen gebonden boek van 250 bladzijden broodtekst waarin Van Schendels leven adequaat gevat wordt. De meeste aandacht gaat naar de eerder turbulente, armoedige jeugdjaren van de schrijver. Arthur van Schendel werd geboren in Batavia als zoon van een legerofficier, die kort na zijn pensionering en terugkeer naar Nederland overleed. Arthur was toen amper zes jaar was en zijn moeder kon de eindjes nauwelijks en vaak ook niet aan elkaar knopen. Van studeren kwam aanvankelijk niet veel in huis. De jonge Van Schendel leefde bij momenten zelfs noodgedwongen op straat. In Amsterdam maakte hij kennis met kunstenaars onder wie de Tachtigers Hein Boeken, Willem Kloos en Willem Witsen. Een toneelcarrière mislukte, maar in de literatuur lukte het beter: in 1896 debuteerde hij met de historische roman “Drogon”. Kort daarna behaalde hij een diploma Engels en vertrok naar Engeland, waar hij een aantal jaren als leraar actief was.
Het leven was nog steeds niet vriendelijk voor Van Schendel: zijn eerste vrouw en zijn dochtertje stierven kort na elkaar in 1904 en 1905. Maar na het succes van “Een zwerver verliefd” en de vervolgroman “Een zwerver verdwaald” (1907) én een nieuw huwelijk keerde het tij. Van Schendel werd een gevierd auteur van romans als “De Waterman” (1933) en “De wereld een dansfeest” (1938), zodat hij van zijn pen kon leven. Onder zijn literaire vrienden telde hij illustere figuren als Jan Greshoff, Eddy du Perron, Menno ter Braak en Jan van Nijlen. In 1933 vestigde hij zich met zijn vrouw en twee kinderen in het Ligurische kustplaatsje Sestri Levante, waar hij een rustig en onthecht leven leidde, dat helemaal om zijn gezin en het schrijven draaide. Pas na de Tweede Wereldoorlog keerde hij ziek naar Nederland terug. Arthur van Schendel overleed op 11 september 1946 in Amsterdam.
Met de keuze voor Arthur van Schendel als onderwerp heeft deze biograaf zichzelf geen cadeau gedaan. Toch is Groenewegen erin geslaagd een mooi beeld te schetsen van deze belangrijke schrijver. Of dat beeld volledig is, zullen we wellicht nooit weten.