Negen november 2022, Berlijn. De naweeën van de pandemie, het ‘Wir schaffen das’ van kanselier Merkel en de eerste gevolgen van de Russische invasie in Oekraïne zijn voelbaar. ’s Avonds zal Fabian Kolb, een dertigjarige kunstenaar, zijn eerste brutale en ambitieuze assemblage tentoonstellen in de galerij van Konrad Raspe. Raspe is een slimme verkoper vol modieus kunstjargon die Fabian aanraadt zijn werk vooral biografisch toe te lichten. Dat slaat namelijk aan. Dezelfde morgen raakt bekend dat een aantal vrouwen Raspe van seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben beschuldigd. Op de vernissage worden Fabians ouders verwacht. Vader is een industrieel uit Krefeld met een tanend bedrijf dat uit de mode rakende stropdassen fabriceert. Zijn opvolger is zijn banale, op geld beluste jongste zoon. Fabians neef rebelleerde tegen een dominerende vader door te kiezen voor een priesterschap in de leeglopende en door schandalen beschadigde katholieke kerk. Niet uitgenodigd is diens vader, Fabians oom Hermann Carius, een belezen historicus en ooit een toeverlaat voor de jonge Fabian, nu de ondervoorzitter van Neue Rechte, de partij die droomt van een herboren “Pruisisch” Duitsland. Zijn aanwezigheid en de familieverwantschap zouden de pers op verkeerde gedachten kunnen brengen. Als tijdens de vernissage een Me-Too activiste het kunstwerk, een multi-interpretabele verbeelding van geweld, met bloed overgiet, is de maat vol voor Fabian Kolb. Hij verlaat het pand, overtuigd “dat ik weer terugmoet, naar een heel andere, eenvoudige kunst, directer, zonder al dat geheimzinnige geklets eromheen.” Zijn voorliefde voor de tekening werd door zijn professoren als ambachtelijk en reactionair bestempeld. Zo werd hij een modieuzer richting opgestuurd. ‘Dood in Berlijn’ is een wat thrillerachtige vertaling van ‘Innerstädtischer Tod’. Christoph Peters, die zelf een kunstopleiding volgde voor hij met schrijven begon, laat zijn personages, met hun achtergronden, hun familiale en ideologische spanningen, uitvoerig en afwisselend aan het woord, vaak zonder dialoog, opgesloten als ze zijn in hun eenzaam gepieker. Dat doet Peters op een onderbouwde en faire wijze in een stevig ingekleurde vertelling vol hedendaagse topics, angsten en dilemma’s. Geen personage gaat vrijuit en niemand is een eendimensionale karikatuur. Centraal bij Fabian is de wanhoop en het verlangen naar authenticiteit, waar ook priester Martin mee worstelt (“Iedereen was gek geworden, mannen en vrouwen, jong en oud, links, rechts, CEO’s net zo goed als de armsten van de armen. Het kwam doordat de mensen hun relatie met God hadden opgezegd, zich verbeelden dat ze hun leven op eigen houtje zin konden geven.”). Zelfs de rechtse nationalist Hermann Carius ontsnapt er niet aan. Hij voelt zich nog steeds verbonden met zijn vervreemde echtgenote en blijkt letterlijk tot de dood ontroerd door de schoonheid van een Indiase barmeid. Christoph Peters schreef een boeiende, hedendaagse, meerstemmige stadsroman (“Berlijn, daar maken ze altijd overal een theater van”). Een klein minpunt: het gendersterretje bij elk grammaticaal mannelijk woord dat ook naar een vrouwelijk persoon kan wijzen is al gauw opdringerig en overbodig. Het verstoort de bladspiegel.